1 tot 2 jaar

Een kind tussen de één en twee jaar wordt steeds beweeglijker. De eerste losse stapjes worden gemaakt, gevolgd door helemaal los lopen, rennen en klimmen. Hij helpt mee met aankleden en begint zelf te willen eten. De woordenschat wordt uitgebreid en het kind kan plaatjes herkennen.

Motoriek

De fijne motoriek is nu zo verfijnd dat een baby met de pincetgreep een voorwerp kan vastpakken, een toren kan bouwen van een paar blokjes en bladzijden kan omslaan. Het los lopen, gemiddeld bij 18 maanden, gaat steeds soepeler en hij kan zelf gaan zitten. Later volgen rennen, springen, dansen en klimmen.

Sociaal-emotioneel

Zelfstandigheid speelt een belangrijke rol in deze leeftijdsfase. Het kind wil steeds meer dingen zelf doen, zoals helpen met aankleden en zelf eten met lepel of vork, en laat dat steeds duidelijker merken. Hij probeert contact te maken door te praten en met gebaren en hij vindt het leuk om kleine klusjes te doen.

Spraak en taal

Een kind kan bij de leeftijd van één jaar een paar woordjes zeggen en dat worden er steeds meer. Hij reageert op zijn naam en hij brabbelt gevarieerd. Het klinkt als een eigen taal en begint steeds meer te lijken op je eigen taal. Voorwerpen kan hij herkennen aan hun naam en ook plaatjes worden herkend.

Groei

Tussen de één en twee jaar groeit een kind gemiddeld 12 centimeter in lengte.

Reageren is niet mogelijk