Informatie

Een kind heeft een algehele ontwikkelingsachterstand wanneer hij de beschreven mijlpalen (zoals grijpen, omrollen, zitten en lopen) niet haalt op de leeftijd waarop dit gebruikelijk is.

Ontwikkeling

Een kind ontwikkelt zich op verschillende gebieden, zoals spraak, grove en fijne motoriek, sociale vaardigheden en leervermogen. Als er sprake is van een achterstand in de bewegingsmogelijkheden, noemen dokters deze achterstand een motorische retardatie. Als ook de spraakontwikkeling of de sociaal emotionele ontwikkeling achterloopt, spreekt men van psychomotorische retardatie. Ieder kind ontwikkelt zich individueel, daarom wordt in het onderzoek naar de ontwikkeling een ruime marge genomen, voor er van een achterstand wordt gesproken. Hieronder een overzicht van de verschillende ontwikkelingsgebieden van een kind.

Fijne motoriek

Voor de controle over de fijne motoriek is een goede hand-oogcoördinatie van belang. De fijne motoriek wordt steeds verfijnder en daardoor kan het kind allerlei fijne bewegingen maken, zoals een potlood of een kopje vasthouden, zichzelf aankleden en veters strikken.

Grove motoriek

Na de geboorte doorloopt een kind een aantal fases om uiteindelijk te kunnen leren lopen en het hele lichaam te kunnen bewegen. Hiervoor is een ontwikkeling van het spierstelsel nodig, aangestuurd door de hersenen.

Sociale vaardigheden

Door sociale vaardigheden te leren en met emoties te leren omgaan, kan een kind functioneren binnen een groep, cultuur of maatschappij. Het leert om te gaan met andere kinderen en volwassenen. Hij leert hoe hij zich kan gedragen in bepaalde situaties of omgevingen.

Leervermogen

Een kind met een specifieke ontwikkelingsachterstand op het gebied van leren, heeft een leerstoornis of leerachterstand.

Groei

Vanaf de geboorte groeien de meeste kinderen in lengte tot uiteindelijk een volwassen lengte. De lengtegroei wordt naast erfelijke factoren en/of ziekte (bv. downsyndroom, Turner-syndroom) bepaald door omgevingsfactoren, zoals voeding, hormoonaanmaak en gezondheid.

Spraak en taal

Een baby probeert contact te maken door te lachen en te huilen. Als het kind ouder wordt, zal hij proberen om met woorden contact te zoeken en emoties te uiten. Praten is een belangrijk onderdeel om contact te maken met iemand anders. Een kind kan leren praten door een taal te leren en is daardoor in staat om informatie uit te wisselen. Een gedachte ontstaat in de hersenen en kan door taal worden overgebracht.

Reageren is niet mogelijk