Onderzoek

Een (kinder)arts kan je kind onderzoeken om te kunnen vaststellen of je kind een ontwikkelingsachterstand heeft, maar vooral ook om erachter te komen wat de oorzaak van een ontwikkelingsachterstand is. Hij/zij kan diverse onderzoeken verrichten om een diagnose te kunnen stellen. Hieronder vind je een opsomming en korte uitleg van onderzoeken die je kind kan krijgen.

Bloedonderzoek

Een arts kan veel te weten komen door een bloedonderzoek. Het bloed wordt afgenomen door een vingerprik of via de arm. Het afgenomen bloed wordt in buisjes naar het laboratorium gestuurd en daar onderzocht. Soms is het nodig dat je kind nuchter is voor een bloedafname of mag je kind speciale medicijnen niet innemen.

CT-scan

Bij een CT-scan wordt er een serie foto’s gemaakt van de binnenkant van het lichaam: röntgenfoto’s. Van die foto’s maakt de computer plaatjes, waarop de arts organen of lichaamsdelen van alle kanten kan bekijken.

DNA onderzoek

Een DNA-test kan worden uitgevoerd om een klinische diagnose (diagnose vooral gesteld op basis van klachten en verschijnselen) te bevestigen of uit te sluiten, om drager- of draagsterschap vast te stellen en in het kader van prenatale diagnostiek (het opsporen van aangeboren of erfelijke afwijkingen bij het ongeboren kind). Vaak wordt DNA onderzoek gedaan als bevestiging van een gestelde diagnose.

EEG

Met een Electro Encephalo Gram (EEG) wordt gekeken naar hoe de hersenen werken. Tijdens het onderzoek meet een EEG-apparaat de verschillen in spanning tussen de elektrische stroompjes die door de hersenen worden uitgezonden. Het EEG-apparaat zet de verschillen op papier, waardoor een EEG-curve ontstaat. De arts kan aan de hand van de curve zien of er sprake is van epilepsie en welke vorm van epilepsie.

Glucose tolerantie test

Tijdens de glucose tolerantie test wordt gekeken hoe het lichaam omgaat met een grote hoeveelheid suiker. Met het afnemen van bloed en het opvangen van plas wordt gekeken wat er in het lichaam gebeurt.

Hersenvocht onderzoek (lumbaalpunctie)

Bij een lumbaalpunctie, ook wel ruggenprik genoemd, wordt er hersenvocht uit de wervelkolom (in de onderrug) gehaald. Voor deze punctie moet je kind nuchter zijn. Het kan zijn dat bepaalde medicijnen voor het onderzoek niet mogen worden ingenomen. In dat hersenvocht zijn allerlei stoffen te onderzoeken. De diagnose voor sommige ziekten is alleen te stellen op basis van bepaalde afwijkende stoffen in het hersenvocht.

Huidbiopt

Uit de huid wordt een klein stukje weefsel (biopt) gehaald. In het laboratorium wordt het weefsel een tijdje op kweek gezet. De huidcellen groeien dan. Als ze voldoende gegroeid zijn, kunnen de huidcellen onderzocht worden. Op die manier kan de arts meer te weten komen over de stofwisseling. Er kan bijvoorbeeld gemeten worden hoe groot de activiteit van bepaalde enzymen is.

MRI-scan

Bij een MRI (Magnetic Resonance Imaging; foto’s nemen met magnetische trillingen) onderzoek worden er foto’s gemaakt van de binnenkant van het lichaam. Op de foto’s kan de arts de hersenen, ruggenmerg, zenuwen, spieren en pezen, gewrichtsbanden en organen, zoals hart, nieren en lever bekijken. Sommige ziekten laten een kenmerkend patroon zien op een MRI van de hersenen.

Spierbiopt

Een spierbiopt is een onderzoek van een stukje weefsel uit de spieren uit het been of de arm. Hiermee kan worden gekeken naar de bouw van de spier en eventueel de werking van de spier. Ook kan er gemeten worden of de spieren voldoende energie kunnen maken.

Urine onderzoek

In de urine is te meten welke afvalstoffen er in zitten en in welke hoeveelheid. Als er iets mis is met de stofwisseling, worden vaak andere afvalstoffen of afvalstoffen in andere hoeveelheden uitgescheiden. De uitslag geeft richting aan de diagnose. Ook kan de arts informatie krijgen over het functioneren van de nieren en of er sprake is van nierstenen. Voor het urine onderzoek is een beetje (ochtend) urine nodig of urine van 24 uur.

Vastenproef

Bij een vastenproef wordt gekeken hoe het lichaam omgaat zonder eten en drinken. Met het afnemen van bloed en het opvangen van plas wordt gekeken wat er in het lichaam gebeurt.

Reageren is niet mogelijk